21e eeuwse vaardigheden inpassen in je onderwijs

Microsoft is naast software en hardware ontwikkelaar ook druk bezig met onderwijs en onderwijssystemen. Omdat ik naar de Microsoft Education Exchange mag gaan in Parijs begin april krijg ik de kans om het Microsoft Certified Educator examen te doen. De inhoud van het examen gaat voornamelijk over 21CLD, ofwel, 21st century learning design, in beter Nederlands: het optimaal vormgeven van je onderwijs zodat je studenten 21eeeuwse vaardigheden leren. En na de online cursus hiervoor te hebben doorlopen moet ik concluderen dat de ‘softwareboer’ hier goede dingen zegt en deelt (samen met de onderzoekers vanuit verschillende scholen). Je kunt de Engelstalige cursus zelf ook volgen via deze link, maar ik zal – soms kort door de bocht – hier mijn weergave delen. 

Waarom 21CLD?

De wereld is aan het veranderen. De toekomst vraagt iets anders van ons en van onze studenten. We moeten opleiden voor banen die nu nog niet bestaan. Kortom, het bekende verhaal.Wat hebben studenten dan nodig? 21eeeuwse vaardigheden! 

Nu zijn er al veel van dit soort lijstjes in omloop, maar ik hanteer nu even het lijstje zoals Microsoft dit gebruikt in hun cursus. Dit lijstje is overigens niet zomaar ontstaan, maar komt voort uit het grootschalige ITL project. Het lijstje kent zes vaardigheden, ieder met een aantal ‘hoofdpunten’ (big ideas). De zes vaardigheden hebben elk een rubric om docenten te helpen met het vormgeven van hun onderwijs waarbij studenten de vaardigheden zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. De rubrics zijn zeer nuttig en kunnen denk ik echt helpen bij het ontwerpen van onderwijs voor deze zes 21eeeuwse vaardigheden:

  1. Samenwerken
  2. Vaardig in communicatie 
  3. Kennisconstructie 
  4. Zelfregulatie
  5. Authentieke problemen oplossen en innoveren 
  6. ICT gebruik (in het leren)

Het interessante van hun aanpak met de ‘hoofdpunten’ en rubrics is de manier waarop je deze vaardigheden zou kunnen inpassen in je huidige curriculum. Kennis is hierbij dus niet een vies woord, maar een onderdeel van het geheel. Juist omdat er steeds meer kennis zal zijn in de wereld, is het omgaan met deze kennis een belangrijk onderdeel voor bijvoorbeeld vaardigheid drie, ‘kennisconstructie’. 

Een leeractiviteit coderen met behulp van de rubric

Iedere vaardigheid kent zoals gezegd een rubric. Met deze rubric kun je je bestaande leeractiviteiten ‘coderen’. Hoe hoger je scoort op een schaal van 1 tot 5, des te beter de leeractiviteit is voor de student om die 21eeeuwse vaardigheid aan te (kunnen) leren. Scoort je leeractiviteit laag? Kijk dan eens naar de uitleg bij de hogere scores, kun je onderdelen ‘inbouwen’ in je leeractiviteit waardoor je hoger scoort? Dit is meteen het werkende principe van 21CLD. De hoofdpunten zijn per vaardigheid uitgewerkt en omgezet naar een rubric. Deze rubric kun je als docent vervolgens gebruiken om je huidige onderwijs te scoren en je toekomstige onderwijs vorm te geven. Een behoorlijk concrete manier van onderwijsvormgeving, waarmee je studenten direct ook de 21eeeuwse vaardigheden laat leren. Ik zal alle zes vaardigheden kort behandelen, inclusief de bijbehorende rubric.

1.   Samenwerken

Echt samenwerken is makkelijker gezegd dan gedaan. Een taakverdeling maken is bijvoorbeeld niet écht samenwerken als iedereen daarna individueel achter een computer gaat zitten om vervolgens pas op het eind alles bij elkaar te knippen en te plakken. Samenwerken heeft volgens 21CLD de volgende hoofdpunten:

  • Studenten werken samen aan iets, dit hoeft niet fysiek dicht bij elkaar te zijn, maar zou ook kunnen via internet.
  • Studenten hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het gezamenlijke eindresultaat. 
  • Studenten maken belangrijke keuzes gezamenlijk. Belangrijke keuzes hebben gevolgen voor inhoud, proces of eindproduct. 
  • Studenten moeten afhankelijk zijn van elkaar en van iedereen waar ze mee samenwerken. Iedere student is verantwoordelijk voor zijn eigen deel, maar gezamenlijk zijn ze verantwoordelijk voor het geheel. 

Het laatste punt is vaak het meest lastig. Want je hebt toch vaak groepjes waar ‘meelift’ gedrag niet vreemd is. In de rubric is dit dan ook de ‘hoogste graad’ haalbaar. Het voorbeeld wat gegeven wordt in de cursus is dat studenten samenwerken aan een verhaal. Het verhaal loopt niet meer lekker als er een hoofdstuk mist. Het in elkaar ‘flansen’ van een PowerPoint met dia’s die allemaal net even anders zijn is dus niet de bedoeling. 

Rubric samenwerken

  1. Studenten hoeven niet samen te werken. 
  2. Studenten werken samen, maar ze hebben geen gedeelde verantwoordelijkheid. 
  3. Studenten hebben gedeelde verantwoordelijkheid, maar hoeven belangrijke keuzes niet gezamenlijk te maken. 
  4. Studenten hebben gedeelde verantwoordelijkheid, maken belangrijke keuzes over inhoud, proces en product gezamenlijk, maar zijn niet afhankelijk van elkaar. 
  5. Studenten hebben gedeelde verantwoordelijkheid, maken belangrijke keuzes over inhoud, proces en product gezamenlijk en zijn afhankelijk van elkaar. 

2.   Vaardig in communicatie

Microsoft noemt dit ‘Skilled communication’. Het gaat hierbij om het ontstijgen van de ‘vluchtige communicatie’ op bijvoorbeeld WhatsApp en Twitter. Het gaat hier veel meer om de diepere betekenis die communicatie kan hebben en waarmee je vaak ook meer bereikt. 

Vaardig in communicatie kent ook een aantal hoofdpunten: 

  • Studenten communiceren een geheel en niet slechts een deel. Ze zijn volledig(er). 
  • Communicatie is verrijkt. Studenten gebruiken meerdere elementen (zoals tekst, afbeeldingen en video) om de boodschap te versterken. 
  • Communicatie is voorzien van ondersteunende bewijzen. 
  • Communicatie is gericht op een specifieke doelgroep. 

De laatste twee punten zijn het meest belangrijk om studenten aan te leren. Daarom staan ze ook gezamenlijk in de rubric bij de hoogste score. 

Rubric vaardig in communicatie

  1. Studenten hoeven niet volledig of verrijkt te zijn in hun communicatie. 
  2. Studenten moeten volledig of verrijkt zijn in hun communicatie maar hoeven geen ondersteunende bewijzen te geven OF voor een specifieke doelgroep te communiceren. 
  3. Studenten moeten volledig of verrijkt zijn in hun communicatie en moeten OF ondersteunende bewijzen leveren, OF voor een specifieke doelgroep communiceren, maar niet beide. 
  4. Studenten moeten volledig of verrijkt zijn in hun communicatie, moeten ondersteunende bewijzen leveren en voor een specifieke doelgroep communiceren.

3.   Kennisconstructie 

We moeten studenten niet meer vragen naar wat ze al weten of zo op internet kunnen opzoeken stelt 21CLD, maar we moeten ze vragen naar nieuwe kennis. Dit is een lastige en persoonlijk denk ik dat een bepaalde kennisbasis niet verkeerd is, om op voort te bouwen. Maar kennisconstructie als concept is enorm interessant, want antwoorden verzinnen op de vragen van morgen doe je vaak niet door een zoekopdracht in te tikken op internet. Daarvoor heb je toch wel wat andere vaardigheden nodig die aan de basis liggen van kennisconstructie: interpreteren, analyseren, synthetiseren en evalueren.  Hoofdpunten hierbij zijn:

  • Studenten moeten ideeën en kennis genereren die nieuw zijn voor hen. Het reproduceren van informatie (bij een toets bijvoorbeeld) is dus niet de bedoeling bij dit punt. Ook het ‘herkauwen’ van wat op Wikipedia staat is niet de bedoeling. De bedoeling is veel meer dat studenten meerdere kennisbronnen en inzichten met elkaar combineren om tot iets nieuws te komen voor de student zelf. 
  • Kennisconstructie moet het ‘hoofdonderdeel’ zijn van de leeractiviteit. 
  • Studenten moeten de opgedane kennis kunnen toepassen in een nieuwe context of andere situatie. 
  • Het moet vakoverstijgend zijn. 

Rubric kennisconstructie 

  1. Bij de leeractiviteit hoeven studenten geen kennisconstructie toe te passen. Ze hoeven enkel te reproduceren of bekende procedures te hanteren. 
  2. Bij de leeractiviteit moeten studenten kennis construeren door middel van het interpreteren, analyseren, synthetiseren en evalueren van ideeën en informatie. Deze kennisconstructie is echter niet het hoofddoel van de leeractiviteit. 
  3. Het hoofddoel van de leeractiviteit is kennisconstructie, maar studenten hoeven dit niet in een nieuwe context toe te passen. 
  4. Het hoofddoel van de leeractiviteit is kennisconstructie, studenten moeten dit in een nieuwe context toe te passen, maar de leerdoelen beperken zich tot een enkel vak.  
  5. Het hoofddoel van de leeractiviteit is kennisconstructie, studenten moeten dit in een nieuwe context toe te passen en de leerdoelen zijn vakoverstijgend. 

4.   Zelfregulatie

Jezelf kunnen sturen is een belangrijk principe voor iedereen. Deze vaardigheid komt niet alleen om de hoek kijken tijdens een studie, maar is tijdens het hele leven van belang. Doelen stellen, plannen maken, jezelf op de ‘juiste weg’ houden richting je doel, het zijn allemaal belangrijke onderdelen in dit proces. Daarbij is het wel goed om te weten dat bij zelfregulatie de einddoelen vaak al vast staan. Denk hierbij aan een project wat meerdere weken bestrijkt. Binnen dat project kunnen studenten zelf vervolgens doelen stellen en ‘bewegen’. Maar het bevat dus wel kaders. Juist die kaders geven studenten ruimte in het leren. De hoofdpunten hierbij zijn:

  • De leeractiviteit of het project moet over een langere termijn gaan. Dit is een voorwaarde voor zelfregulatie. 
  • Studenten moeten vooraf hun eigen leerdoelen binnen het geheel kunnen formuleren, eventueel gekoppeld aan zelfbedachte succescriteria/piket paaltjes. Hiermee kunnen ze de kwaliteit en voortgang van hun eigen proces bewaken. 
  • Studenten moeten hun eigen werk kunnen plannen. Het plan omvat hoe, wanneer, met wie en waar ze willen werken (binnen gestelde kaders). Het is belangrijk dat dit niet vooraf dichtgetimmerd is, omdat studenten dan deze vaardigheid niet kunnen ontwikkelen. 
  • Studenten moeten de mogelijkheid hebben om hun werk aan te passen op basis van verkregen feedback, vooral voordat ze het inleveren. Dit moet dan wel effectieve feedback zijn, waarmee de student een volgende stap kan zetten in zijn of haar proces. 

Rubric zelfregulatie

  1. De leeractiviteit is niet voor langere termijn OF studenten hebben geen eigen leerdoelen/succescriteria geformuleerd. 
  2. De leeractiviteit is voor langere termijn, studenten hebben de mogelijkheid om eigen leerdoelen/succescriteria te formuleren, maar kunnen niet hun eigen planning maken. 
  3. De leeractiviteit is voor langere termijn, studenten hebben de mogelijkheid om eigen leerdoelen/succescriteria te formuleren alsook een eigen planning te maken, maar kunnen hun werk niet aanpassen op basis van feedback. 
  4. De leeractiviteit is voor langere termijn, studenten hebben de mogelijkheid om eigen leerdoelen/succescriteria te formuleren alsook een eigen planning te maken en kunnen hun werk aanpassen op basis van feedback.

5.   Authentieke problemen oplossen en innoveren

Microsoft noemt dit ‘Real world problem solving and innovation’. Idee hierachter is dat studenten in de toekomst voor vraagstukken komen te staan die we nu nog niet/deels weten. Denk hierbij aan klimaatvragen of bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie (hoe slim laten we robots worden?). Dit zijn misschien wat grote vragen, derhalve maken ze het in de cursus wat kleiner door met ‘echte praktijkopdrachten’ te werken komend uit het werkveld of bijvoorbeeld de gemeenschap. Voor het mbo is dit natuurlijk bekend terrein, omdat we het liefst zo dicht mogelijk in of tegen de echte praktijk aan werken. Hoofdpunten hierbij zijn:

  • Voor het hoofddoel van de leeractiviteit moeten studenten problemen kunnen oplossen. Ze moeten dan met oplossingen komen die nieuw zijn voor hen, of een ontwerp maken waar ze geen uitleg voor hebben gekregen, of een complex product maken waar voorwaarden aan zijn gesteld. 
  • Studenten moeten werken met echte problemen, die door echte mensen worden ervaren als probleem. Ook moet de oplossing voor mensen buiten de docent nuttig zijn. Het moet een duidelijke context hebben en als ze data gebruiken voor de oplossing moet het waarheidsgetrouwe data zijn. 
  • Studenten moeten innoveren. De definitie die hierbij wordt gegeven is dat er sprake is van innovatie als een idee/oplossing ook echt wordt uitgevoerd. Ook moeten door het uit te voeren andere mensen baat hebben bij de oplossing, naast de student zelf. 

Dat laatste is natuurlijk het meest interessant en leerzaam voor studenten, maar ook het meest lastig om te organiseren. Want als de uitkomst van een praktijkopdracht uiteindelijk echt uitgevoerd moet worden zal de opdrachtgever genoeg middelen moeten hebben om dit te kunnen doen. Natuurlijk zouden deze beperkingen/risico’s ook meegegeven kunnen worden in de probleemstelling om teleurstelling bij de student te voorkomen. 

Rubric authentieke problemen oplossen en innoveren

  1. Het hoofddoel van de leeractiviteit is niet gericht op het oplossend vermogen van de student. 
  2. Het hoofddoel van de leeractiviteit is gericht op het oplossend vermogen van de student, maar het zijn geen ‘echte praktijkopdrachten’. 
  3. Het hoofddoel van de leeractiviteit is gericht op het oplossend vermogen van de student, het zijn ‘echte praktijkopdrachten’, maar ze hoeven het niet uit te voeren (innoveren).
  4. Het hoofddoel van de leeractiviteit is gericht op het oplossend vermogen van de student, het zijn ‘echte praktijkopdrachten’ en er is sprake van innovatie omdat ze het ook echt uitvoeren en/of iemand inschakelen die het kan uitvoeren. 

6. ICT gebruik (in het leren)

Tot nu toe allemaal vaardigheden die je wellicht zonder ICT ook zou kunnen uitvoeren, maar ICT is natuurlijk niet meer weg te denken in ons leven, leren en werken. Daarom kiest 21CLD er dan ook voor om de laatste vaardigheid niet zozeer als aparte vaardigheid in te zetten, maar als rode draad door het geheel. Idee daarbij is, gebruik ICT in het leren van alle voorgaande en andere vaardigheden. Kijk wanneer het toegevoegde waarde heeft, of misschien zelfs onmisbaar is. Want op die manier vormt ICT geen ‘apart onderdeel’ maar een geïntegreerd geheel. Hoofdpunten hierbij zijn:

  • Studenten dienen ICT zelf te gebruiken om (een deel van de) leeractiviteiten af te ronden. Dat docenten ICT gebruiken om zaken voor studenten klaar te zetten zoals bronnen en PowerPoints telt niet. 
  • ICT ondersteund direct of indirect kennisconstructie (zie vaardigheid 3). Er is sprake van een directe relatie als studenten bijvoorbeeld ICT gebruiken om gegevens te analyseren. Er is sprake van een indirecte relatie als studenten ICT gebruiken om gegevens op te halen en vervolgens ‘offline’ ermee verder te werken. 
  • ICT is een vereiste voor kennisconstructie (zie vaardigheid 3). Het is een vereiste als studenten bijvoorbeeld binnen drie uur vier personen moeten interviewen die ergens anders op de wereld wonen. Een videoverbinding is dan zeer welkom. Het is niet een vereiste als studenten informatie opzoeken op internet, die ze ook in de bibliotheek hadden kunnen vinden. 
  • Studenten ontwerpen een ICT-product waar een vooraf bedachte doelgroep gebruik van kan maken. Ze kunnen bijvoorbeeld een video of een podcast maken van een bepaald onderwerp, dit op het internet publiceren en daarmee anderen helpen, inspireren of verblijden. Hier wordt de link ook gelegd met authentieke problemen oplossen en innoveren (zie vaardigheid 5) omdat ICT wellicht onderdeel kan zijn van de oplossing. 

Interessant hierbij is dus iedere keer de toegevoegde waarde van ICT-oplossingen in de leeractiviteit of leeruitkomst. Het gaat dus niet om ICT leren gebruiken als doel van de leeractiviteit, zoals een les PowerPoint of een ICT les. Dit in de gedachte dat in de 21eeeuw ICT een ‘normaal’ iets is geworden net als pen en papier.

Rubric ICT gebruik (in het leren)

  1. Studenten hebben niet de mogelijkheid om ICT te gebruiken voor de leeractiviteit. 
  2. Studenten gebruiken ICT om praktische basisvaardigheden te leren/oefenen of om informatie te reproduceren. Ze werken niet aan kennisconstructie. 
  3. Studenten gebruiken ICT voor kennisconstructie, maar ze zouden dezelfde kennis kunnen construeren zonder ICT gebruik. 
  4. Studenten gebruiken ICT voor kennisconstructie, het is een vereiste omdat het niet anders kan, maar ze maken geen ICT-product voor een specifieke doelgroep. 
  5. Studenten gebruiken ICT voor kennisconstructie, het is een vereiste omdat het niet anders kan en ze maken een ICT-product voor een specifieke doelgroep. 

En nu?

Nu ken je alle zes 21eeeuwse vaardigheden met hun hoofdpunten en rubrics. Je kunt deze rubrics gebruiken om te kijken in hoeverre je studenten de mogelijkheden biedt om die genoemde vaardigheden te ontwikkelen. Merk wel op je dat dit stap-voor-stap moet aanpakken. Pak dus eerst eens een vaardigheid waar je prioriteit aan geeft en maak het dan steeds breder. Dit kan natuurlijk ook verschillen per klas, groep, of opdracht. Hoofdvragen die echter steeds terug zouden moeten komen bij het ontwerpen van onderwijs zijn:

  • Als studenten samenwerken: hebben studenten gedeelde verantwoordelijkheid bij het samenwerken? Maken ze belangrijke keuzes voor de inhoud, het proces of het product gezamenlijk? En zijn ze afhankelijk van elkaar bij het samenwerken?
  • Als studenten iets moeten communiceren: communiceren studenten op een rijke en volledige manier? Wordt dit expliciet van hen gevraagd? Zijn de uitspraken ondersteund met bewijzen en is de communicatie gericht op een specifieke doelgroep?
  • Als kennis vergaren het hoofddoel is: zijn studenten kennis aan het construeren dat nieuw is voor hen? Passen ze die kennis ook toe in nieuwe contexten en is dit vakoverstijgend? 
  • Als je studenten zelfregulatie wilt laten leren: zijn leeractiviteiten gericht op een langere termijn? Stellen studenten zelf doelen, plannen en succescriteria op? En kunnen ze hun werk aanpassen op basis van verkregen feedback? 
  • Als je met projecten of opdrachten wilt werken: zijn het ‘echte praktijkopdrachten’ en vraagt dit probleemoplossend vermogen van de studenten? En worden oplossingen ook echt toegepast en uitgeprobeerd? 
  • Als je ICT bewust wilt inzetten: hebben studenten ICT-middelen actief nodig om de leeractiviteiten te behalen? En maken ze zelf ook ICT-producten? 

Het laatste punt vraagt ook iets van de docent als het gaat om inzichten welke ICT-toepassingen kunnen helpen/nodig zijn om bepaalde doelen te bereiken. Een paar voorbeelden van mij: 

  • Als studenten samenwerken: kan Teams of Skype helpen om altijd en overal samen te werken? Of tegelijkertijd werken aan Word, PowerPoint, Excel of Sway documenten via Office 365? 
  • Als studenten iets moeten communiceren: kan PowerPoint of Sway woorden, afbeeldingen, audio en video combineren om tot een rijkere boodschap te komen? Kan Stream helpen in het faciliteren van video? Kan een Sway als een mini-website worden ingezet om de boodschap publiekelijk te maken?
  • Als kennis vergaren het hoofddoel is: kan OneNote helpen in het verzamelen, organiseren en ordenen van kennisbronnen om tot nieuwe inzichten en ideeën te komen? Kan Excel helpen om analyses te maken? 
  • Als je studenten zelfregulatie wilt laten leren: kan Planner helpen in combinatie met Outlook om plannen te maken, doelen te stellen en voortgang bij te houden? 
  • Als je met projecten of opdrachten wilt werken: kan Teams helpen om een online leeromgeving te creëren waar studenten in kunnen samenwerken en ze externe opdrachtgevers voor kunnen uitnodigen? 
  • Als je ICT bewust wilt inzetten: kan een verdere verkenning van apps en webtools helpen om nog meer ideeën te krijgen? 

Tot slot

Ik hoop dat je net zo enthousiast bent als ik over 21CLD, mocht je zelf nog ideeën hebben voor het inzetten van ICT-toepassingen bij een vaardigheid, laat die dan vooral achter in een reactie op dit bericht. En nogmaals, de hele cursus kun je hier vinden. 

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.